Jaarbeursmarathon, Utrecht 2009
Als medewerker van een bloemenveiling moet ik me er (waarschijnlijk) voor schamen, maar ik heb problemen met marathons die om 10:30 starten. Gelukkig is Utrecht niet zo heel ver van mijn thuishonk.
Iets voor tienen meld ik me bij de nummeruitgifte. Voor mij in de rij staat Ineke Scheffer. Die houdt niet van ‘massale marathons’, maar hier tref ik haar iedere keer.
Het is natuurlijk waar je de lijn trekt tussen massaal of niet-massaal, maar met 13.000 deelnemers (over alle afstanden) kun je deze loop niet meer klein noemen.
Voor Ineke is hij in ieder geval interessant genoeg om met haar vaste begeleiding de lange reis vanuit Groningen te maken. Dus wat zeur ik nu eigenlijk over vroeg opstaan?
Voor mij ligt de aantrekkingskracht in het feit dat het in de buurt is, maar ook omdat mijn loopmaatje Jeroen tot voor een paar jaar nog in Harmelen woonde en we ettelijke trainingsrondjes hebben gedraaid op en in de buurt van het huidige parcours.
Een parcours dat elk jaar wel lijkt te veranderen, maar in grote lijnen toch steeds dezelfde plekken aandoet. Wat dit jaar wel heel erg veranderd is ten opzichte van 2008 is het weer. Vorig jaar starten we in de regen, kregen we onderweg een gigantische sneeuwbui te trotseren en hoosde het opnieuw toen ik over de finish kwam. Maar nu schijnt de zon en staat er een heerlijk koel windje.
Ben op zoek naar de wc’s als ik hoor omroepen dat er nog vijf minuten te gaan zijn tot aan de start. Shit, dan is daar dus geen tijd meer voor (misschien beter gezegd; geen shit.) Teveel tijd verloren met het zoeken naar Jeroen. Die ik overigens tegen het lijf loop als ik een plekje heb gevonden tussen de andere lopers.
Gezamenlijk gaan we de startstreep over. Een rondje om de Jaarbeurs en dan een grotere lus door Utrecht. Alle bekenden zijn er weer. Zo ook Gijs Honing die zijn doel (400 marathons) lange tijd gedwarsboomd zag door een ‘kapotte’ knie. Hij zal hem vandaag uitlopen en zijn totaal op 396 brengen. Hopelijk fit genoeg om nu eindelijk zijn doel te bereiken en loopschoenen definitief te verruilen voor zijn racefiets.
Brian Mills, loopgek uit Engeland, is er natuurlijk ook. Net als vorige week in Rotterdam. Saillant detail; ik hoorde (zag het niet zelf) dat hij te zien was in Holland Sport jl maandag. Hij werd gebruikt als voorbeeld van iemand die misschien niet al te goed voorbereid was op de marathon. Raar als je bedenkt dat de man er bijna 700 (waarvan, ook bijna, 100 in Nederland) op zijn naam heeft staan. Hoe voorbereid kun je zijn?
De heren Woerden (Michel en Frans) komen ons overigens al tegemoet als bij nog
aan de lus op de Maliebaan moeten beginnen. Ik hoorde dat Frans uitgestapt was jl zaterdag, maar als ik zie hoe hij hier weer tekeer gaat zal dat wel een gerucht zijn.
Terug naar de Jaarbeurs en dan de stad uit. Het eerste stukje parcours dat er vorig jaar ook al in zat, zij het in tegenovergestelde richting. Bij kilometer 13 een flinke klim brugopwaarts. Ik raak Jeroen kwijt. Enfin, een marathon is ieder voor zich en waarschijnlijk komt hij straks wel weer bij. Eenmaal weer van de brug af beginnen we aan een stuk waar we vandaag nog viermaal zullen passeren. Wel gezellig overigens met redelijk veel publiek, een band en ‘spontane’ drinkposten van omwonenden.
Net voorbij de 16 kilometer zie ik de eersten aan de overkant van de weg al richting de 30e kilometer gaan. Allememaggies, wat kunnen sommige mensen toch hard lopen.
Terug langs hetzelfde water aan de overzijde. Klinkers. Niet mijn favoriete ondergrond.
Vlak voor de 20e kilometer wordt ik ingehaald door Jeroen. Korte plaspauze en weer verder. Op weg naar de ‘halverwege’-streep komt er een motor met cameraman naast me rijden. Gezellig. Alleen stom dat ik vergeten ben te vragen van welke omroep of organisatie ze zijn. Heb je eindelijk je ‘two minutes of fame’……
Aan de andere kant, ik ben wel eens gefilmd tijdens de marathon van Hoorn en wist toen wel welke omroep en zelfs het tijdstip van uitzenden. Rondgebazuind aan iedereen met wie ik wel eens liep, om er achter te komen dat de drie minuten die ze mij volgden waren gereduceerd tot twee (!) seconden zendtijd.
Terug naar het parcours! Maar waarom eigenlijk, want dit is het meest saaie stukje van de dag. We lopen door een nieuwbouwwijk in aanleg, en er staat nog minder publiek dan bij een gemiddelde doordeweekse training. Alles bij elkaar geteld staan er meer mensen bij de drankposten dan ertussen.
Als we de rand van Harmelen bereiken lopen we langs een aantal tomatenkassen. Het lekker verkoelende windje van daarnet wordt daardoor weggenomen en ik realiseer me nu pas hoe warm het eigenlijk is vandaag. Tot overmaat van ramp komt Jack Hendrickx me voor bij met zo’n snelheid dat ik ga twijfelen aan mezelf.
Gelukkig draaien we bij de 27e kilometer weer weg van de bebouwde kom en hebben we een koel windje in de rug.
Op de dertigste kilometer gaan we voor de derde keer over hetzelfde stukje parcours.
Om me heen beginnen mensen in te kakken, wat goed is voor mijn moraal. Het traditioneel vervelendste stuk (25 t/m 30) is achter de rug en ik ruik de stal. Wat het nog mooier maakt is dat ik zie dat Jeroen weer binnen overbrugbare afstand loopt. Eens kijken of ik hem in kan halen. Zou wel leuk zijn als we een keertje samen over de finish zouden gaan.
Maar hem inhalen lijkt makkelijker dan het in werkelijkheid is. Ik zie hem op 200 meter voor me ‘stuivertje wisselen’ met Hans Buis, maar door die verdomde klinkers raakt de snelheid er wel een beetje uit.
Bij de drankpost (37,5) zit er niet meer dan 25 meter tussen ons maar brugopwaarts (jawel, diezelfde als van vanmorgen) zet Jeroen het op een draven en zie ik het gat groter en groter worden. Zou hij mijn hete adem voelen?
Hans Buis krijg ik wel te pakken, vlak voor de 39e kilometer, boven op de brug. “Ik ben kapot, Jos”, zegt hij geheel ten overvloede. Zo ziet hij er namelijk ook uit.
Brugafwaarts is zalig. Maar eenmaal beneden draaien we twee bochten en dan loop ik (verdorie) weer op klinkers. Zijn ze nu helemaal geschoffeld? Enfin, doorharken maar.
Ik haal Jeroen een eindje verderop in, maar die zit zo stuk dat hij geen geloof meer hecht aan het gezamenlijk finishen. “Ga maar, ik haal je zo wel weer in.” Oke, dan.
En zo geschiedde, even verder speert hij me weer voorbij. Jeroen heeft de neiging om harder te gaan lopen als er publiek langs de kant staat en dat werkt hier in zijn voordeel.
Genietmoment van de dag: een meisje van een jaar of zeven staat langs de kant geconcentreerd naar het lopersveld te staren. Opeens springt ze op en roept naar haar moeder; “Mamma, snel, papa komt er aan.” En hoewel de vrouw toch redelijk snel in actie komt gaat het dochterlief niet snel genoeg. “Kom op nou, hij komt eraan hoor, schiet nou op”. Ze staat te springen en dansen van pure opwinding.
Ook om te genieten is dat ik Jeroen weer te pakken heb als we het laatste bord (41 kilometer) passeren.
Jammer genoeg sluiten ook de vijf kilometerlopers zich bij ons aan. En dat zijn niet de koplopers. Ik zigzag me een weg door lopers en loopsters die in staat zijn om vermoeider te worden op 5 kilometers dan ik op dit moment ben. Ik maak me letterlijk zorgen over een aantal van hen.
Dat is wel jammer van vandaag. Als ik 42 kilometer heb gerend wil ik graag genieten van het finishmoment, maar dat is me vandaag niet gegund. Over de finish is het een drukte van jewelste en de ruimte om even lekker uit te hijgen wordt me ontnomen door een horde lopers van allerlei leeftijden en maten.
Ik wacht op Jeroen en gezamenlijk gaan we omkleden in een grote hal. Ik maak een mentale aantekening; volgend jaar mijn tas in de auto laten, want de garderobe blijkt onbewaakt. Ik kan letterlijk elke tas meenemen die ik wil. Minpuntje, net als het ontbreken van douches.
Nog even gezellig zitten nakletsen met wat bekenden en een biertje gedronken. De terugweg is een ramp. Het kost me een uur (files, wegomleggingen en bruggen in onderhoud) voordat ik de stad uit ben.
Een beetje tweeledig gevoel aan over gehouden. Organisatorisch zijn er zeker verbeterpunten (parcours, kleed- en douchegelegenheid, garderobe) maar het publiek deed, gesteund door het lekkere weer, haar best en ik denk dat ik er volgende keer gewoon weer bij ben.
En, alsof het zo gepland is; op het moment dat ik die laatste zin tik komt er via de mail een verzoek binnen of ik mee wil doen aan een tevredenheidonderzoek. Tot de volgende keer dus, ik ga me inzetten voor de verbetering van een paar kleine minpuntjes. Zodat ik volgend jaar helemaal niets meer aan te merken heb!