21-11-2009                                        Marathon van Leens

 

Leens is een mooi plaatsje, maar het ligt zo ver van Aalsmeer. Gelukkig gaat Peter Akerboom ook, want dat ‘breekt’ de reisduur een beetje.

 

Half acht staat hij voor de deur. Op de heenreis begint er een lampje te knipperen en maken we een stop bij een benzinepomp. Koffie voor ons, olie voor de auto en we kunnen weer verder.

 

Iets voor tienen arriveren we bij sporthal de Marne. Het is vrij mistig, maar droog en minder winderig dan eerder deze week.

 

Een van de charmes van de Leens marathon zit ‘m in het deelnemersveld. Vrijwel alle deelnemers aan de hele afstand kent elkaar bij naam (reputatie en prestatie-lijsten.) Dus direct bij aankomst in de bar waar we de startnummers krijgen aange-schoven bij een tafel waar het gemiddelde aantal marathons ver boven de 100 ligt.

 

Naast mij zit een man die vertelt dat hij het gezin Scheffers nog kent uit de tijd dat Jan zelf nog liep en Ineke niet verder kwam dan 7 kilometer per keer. Dat moet heel wat kilo’s (Jan) en marathons (Ineke) geleden zijn geweest.

 

Tien over half elf, met nog 20 minuten te gaan tot aan de start komt ook Jeroen aan. Wij staan dan al buiten om gezamenlijk naar de start (een kilometer verderop) te wandelen.

In het startvak zoek ik Jack Hendrickx op. Die heb ik sinds Amersfoort al niet meer gezien omdat hij een trombose had. Hij mag nog steeds niet lopen (heeft hij nu ook een dikkere kop gekregen), maar is door Jan en Ineke gevraagd om het startschot te lossen. Om die reden ga ik niet op de eerste rij staan vandaag.

 

Wel mooi om te zien hoe hij door iedereen begroet wordt. Hij wordt gemist in het peloton. Goed idee van de Scheffers om hem een ‘erebaantje’ te geven.

 

Tweetalige toespraak van Jan en we kunnen. Geheel tegen de verwachting in lukt het Jack om niemand te raken. Ik begin een praatje met Francis en Ineke, maar ik ga te hard voor ze. Ook Peter zit achter me, maar die heeft al 6 weken geen marathon gerend en zat zich in de auto al een beetje ‘in te dekken.’

 

Onder de tunnel door en de eerste polderweg op. Er is in ieder geval een stuk minder wind dan vorig jaar. Laten we hopen dat het zo blijft. Oh ja, en die regenbuien van de vorige editie hoeven van mij ook niet.

 

Ik loop lekker. In ieder geval een stuk makkelijker dan de laatste drie weken het geval was. Eerst in mijn eentje, maar bij het stukje tegen de wind in zakt het groepje voor me een beetje in en kan ik aansluiten.

 

Omdat ik geen fan ben van het passen en meten dat nu eenmaal bij het lopen in een groep hoort en omdat ik de wind toch wel vang (groter dan de rest) schuif ik naar voren en ga het tempo aangeven. Voor mijn gevoel loop ik eerder mijn gebruikelijk tempo van de middenlange afstand dan dat van de marathon, maar ik besluit niet op mijn horloge te kijken. Al dat gereken is nergens goed voor. Ik loop lekker, het voelt goed, ik heb nog een beetje reserve over, dus waarom die ‘roes’ verpesten cijfers. Genieten!

 

Vlak na de drankpost (halverwege het rondje) is een stijl bruggetje waarvan Jan beweerde dat hij glad kon zijn. Maar dat valt gelukkig mee. Daarachter lopen door een bebost stukje parcours, wat een heleboel wind scheelt. En die staat hier op kop.

 

Smal asfaltweggetje met veel losgewaaide takken. In de loop van de middag wordt dat minder (wind, stukgelopen, aan de kant geschopt), maar bij de eerste doorgang vind ik het lastig lopen hier. En dan windje mee terug naar de start/finish.

 

Ik ben daarnet heel langzaam bij het groepje weggelopen, maar nu komen ze me ineens allemaal weer voorbij. Ik weet zeker dat ik niet inzak. Als we het dorp inlopen wordt me het een en ander duidelijk. Een van de mannen heeft fans langs de kant staan en voert het tempo op zodat hij voorop komt te lopen (voor de foto’s?) Ik laat hem, het is nog een heel eind en zij doen (op eentje na) allemaal de halve.

 

Bij de eerste doorkomst ben ik niet zo’n klein beetje sneller dan de bedoeling is. Geen wonder dat Peter nog achter me loopt. Met dit tempo loop ik twintig minuten van mijn PR af. Maar ja, aan de andere kant, ik loop lekker en alles wat ik nu pak heb ik maar alvast. Vooralsnog heb ik niet het gevoel dat ik aan het forceren ben.

 

Buiten de bebouwde kom zakt onze dappere tempomaker weer wat in, maar hij blijft wel een eindje voor de groep uit lopen. Ik loop op kop dan de rest.

 

Als we de hoek omdraaien (tegen de wind in) raken ze achterop. Net als in het vorige rondje. Slechts 1 man blijft in mijn buurt, maar die gaat stil staan om wat te drinken en ik loop weer even alleen. Jammer dat dit steeds gebeurd bij tegenwind. Of zijn de andere lopers sluwer dan ik?

 

Stukje wind mee komt de hele club weer aanhaken. Een stel dat net als een rode lap voor me uitrende heb ik eindelijk te pakken. Zij viel me al van grote afstand op, van-wege haar lichtblauwe trainingsjasje, maar vooral vanwege het startnummer op haar rug. Zou ze niet weten dat Jan ieder rondje staat te tellen? Of gaat ze ervan uit dat hij haar herkend omdat er niet zoveel vrouwen meelopen?

 

Doorkomst nr 2. Gloeiendegloeiende, dat scheelt bijna niets met de eerste ronde. Maar eigenlijk mag ik niet klagen. Voor de zekerheid haak ik aan bij het stelletje van daarnet. Die lopen net iets langzamer dan ik, maar ik heb een buffertje opgebouwd qua tijd. Maar op de een of andere manier klikt het niet. Ze lijken wel te versnellen!.

 

Op het smalle paadje haal ik iemand in die is gaan wandelen. Ik probeer hem weer op gang te krijgen door voor te vertellen dat hij over 500 meter wind mee heeft tot aan de finish. We lopen nu 1:52/1:53 reken ik hem voor. “Oh, da’s mooi, zegt hij, ik ben gestart met het idee om 1:54 te lopen.” Het lukt hem weer op gang te komen.

 

Net voor het 20 kilometerpunt zegt hij ineens; “Ik loop tot aan de brug daar en dan ga ik weer wandelen.” Maar eenmaal daar rent hij zelfs voor me uit. Op de finish bedankt hij me voor mijn hulp en wenst me succes. Ik klokte 1:50:12, dus van mijn voorspelde eindtijd klopt geen snars.

 

Op dit stukje parcours komen we in een lus. Peter, die ik uit het zicht ben geraakt (vanwege een plaspauze) loopt nu weer een meter of 300 achter me. “Ik ga veel te hard”, roep ik. “Doe je voorzichtig”, is zijn reactie. Hij heeft gelijk, maar het gaat zo goed dat ik het eigenlijk zonde vind om in te gaan lopen houden.

 

Omdat het gros van de halve zo’n beetje gefinisht is of bijna aan de finish is het parcours een stuk leger. Dat geeft weer een beetje overzicht. In mijn directe omge-ving lopen een viertal lopers. Ik probeer mijn snelheid te bewaren door de afstand tussen hen en mij gelijk te houden. Natuurlijk kan ik Peter niet voorblijven, die loopt elke marathon minstens een kwartier sneller, maar hoe verder hoe beter. Niet om hem, maar voor mezelf.

 

En zo breng ik het vierde rondje door. Eerst stel ik mezelf tot doel om niet voor de 26e door hem ingelopen te worden, dan tot de 27e etc. Maar bij de 28e (vierde doorkomst) is het gat nog even groot als daarnet. Wel heb ik per kilometer 18 seconden heb laten liggen ten opzichte van de voorgaande ronde, maar dat zat er natuurlijk een keertje aan te komen.

 

Jan Scheffers, die als een herder over zijn (loop-)schaapjes waakt maakt zich boos over een dorpsbewoner die met de auto over het parcours gaat. “Er zit er altijd wel eentje tussen”, zegt hij. Ik verzeker hem dat ik als “Randstadloper’ wel erger gewend ben en hij trots kan zijn op zijn marathon. “Gezellig, goed parcours en heerlijk weer.”

 

Het grote voordeel van een marathon met dit formaat rondjes is dat je niet meer in kilometers telt, maar in doorkomsten. En dat is een psychologisch voordeel. In plaats van ‘nog 14 kilometer’ wordt het al gauw ‘nog maar 2 rondjes’.

 

Omdat het er ‘nog maar 2’ zijn beloon ik mezelf op een Squeezy. Terwijl ik die sta weg te spoelen met twee colaatjes komt Peter voorbij. Tegen de tijd dat ik alles heb weggewerkt loopt hij 150 meter voor me. Een gat dat ik vrij constant kan houden, totdat ik bij de drinkpost op 31,5 moet plassen. Dan ontstaat een tussenruimte waarvan ik weet dat ik het niet meer kan dichtlopen. Maar Peter was niet het hoofddoel.

 

Het enige dat ik nu moet doen is; deze snelheid vasthouden. Makkelijker gezegd dan gedaan. Maar ik ben nog steeds niet ‘marathonmoe.’

 

Eerst eens kijken hoe ik door deze ronde kom. De koploper dubbelt me. Heb ik geen probleem mee. In de bocht naar het smalle, rommelige paadje meet ik 1 minuut 42 verschil tussen mij en Peter. Het plassen heeft tijd gekost, maar niet zoveel als ik dacht.

 

Op het stuk daarna komen ook de nummers twee en drie van de marathon voorbij. Tussen hen zit op de finishlijn maar 22 seconden. Maar het grootste deel daarvan zie ik voor mijn ogen ontstaan. Nummer drie gaat op de brug even stilstaan, wandelt een stukje en gaat dan weer rennen. Er staat daar wel een ambulance half op de weg, maar om nu te zeggen dat hij daar hinder van had. Ik hou het maar op kramp. Of zou hij niet weten dat hij in derde positie loopt.

 

35 kilometer. Ik ben dus wel ingekakt. Of zou ik met die pauzes vier minuten verspeeld hebben? Geen gezeik, Jos. Zelden zo lekker gelopen op deze afstand als vandaag. Nog geen enkele inzinking gehad en een redelijke marge. Eens kijken waar het schip strandt.

 

Wat kan lopen toch onvoorspelbaar zijn. Twee weekenden geleden was ik tweemaal niet vooruit te branden op de tien, een matige tijd op de vijf (want haas) en vorige week een redelijke tijd op de vijftien. En soms met meer verval dan vandaag.

 

Ik besluit te genieten van de vorm waarin ik verkeer. Ik adem nog rustig, zet mijn voeten goed neer, lijk de snelheid goed vast te houden en heb nog energie over voor een eindsprintje als het straks nodig blijkt te zijn.

 

Die tijd die ik straks ga neerzetten is maar relevant. Peter, bijvoorbeeld, schudt deze tijden uit zijn mouw. Maar dit gevoel. Zo is het lekker moe worden. Geconcentreerd en tegelijkertijd ontspannen. Met nog genoeg kracht in de benen om te weten dat je het kunt.

 

Ik zou willen dat ik een manier had waarop ik dit zou kunnen overbrengen op de  beginners die bij mij komen om loopadvies. Niet dat ik zo’n loopgoeroe ben, maar omdat ik de naam heb niet op een kilometertje te kijken. Als ik die toch eens dit zou kunnen voorhouden. Zo van; “volhouden, jongens, want dit is uiteindelijk (ooit) eens je beloning.”

 

Alle pijntjes en tegenslagen verdwijnen als sneeuw voor de zon in de endorfine-kick.

Maar ik hou mijn kop erbij. Beloof mezelf (eerst) niet eerder dan bij de 39 op mijn horloge te kijken. Maar bijna daar verschuif ik het naar de 40. ‘Time is of no importance’. Ik wil genieten van de ‘flow’.

 

Draven Jos, tot aan de 41e en dan opnieuw kijken. Maar eenmaal daar heb ik geen zin meer om te rekenen. Gewoon doorgaan en genieten. Voor me zie ik een man wandelen. Doet die mee aan de marathon? Ben ik die aan het dubbelen? Waar komt die nu vandaag? Zou ik hem nog kunnen inhalen?

 

Maar het blijkt iemand te zijn die aan het uitlopen is. Want hij maakt een praatje met de verkeersregelaars en maakt geen aanstalten om naar de finish te gaan.

 

De fietstunnel in werp ik me naar beneden. Als het op seconden aan gaat komen, dan wil ik die hier niet verliezen. Gevolg is dat ik aan de andere kant nog zoveel vaart heb dat de klim uit de tunnel voorbij is voordat ik het doorheb.

 

Een groepje wandelaars moedigt me aan. De laatste klinkers en dan de bocht om. Ik kan het finishdoek zien hangen. Peter praat op de omroeper in. Die kondigt aan dat ik (wat Peter op dat moment maar gokt) een PR aan het lopen ben. Het levert me applaus op van de toeschouwers. Op de finishlijn zit een fotograaf (Toli), waar ik omheen moet lopen, maar het boeit me niets meer. 1 minuut 45 sneller dan mijn vorige recordtijd.

 

Wat een heerlijke prestatie. Niet (alleen) vanwege de tijd, maar ook vanwege de souplesse waarmee het gebeurde. Kicken!