11-10-2009
Peijnenburg
Bosmarathon, Soest.
De hele week een beetje lopen sukkelen met mijn gezondheid. Wat druk op de borst, volle neus en overal spierpijn. Donderdagavond werden we tijdens de judo flink afgebeuld, maar de spierpijn de volgende dag was buiten proporties. Ik kon mijn hand niet boven mijn schouder uit tillen zonder ‘pijn’. Misschien een griepje dat niet helemaal wil doorzetten.
08:00 uur op en op weg naar Toon. Begint al lekker, want ik vergeet mijn bril en GPS. Eindelijk in Roelofarendsveen geeft mijn routeplanner aan dat ik mijn eindbestemming heb bereikt, maar de straatnaam klopt niet. Ik vraag een dame die haar hond uitlaat de weg, maar die heeft nog nooit van de Reigersingel gehoord ( al blijkt later dat we er, hemelsbreed, nog geen tien meter van af staan.)
We komen net voor tienen aan, terwijl we half tien in gedachten hadden. Nog een half uurtje naar de start.
Eenmaal in het startvak heb ik amper tijd om in het rond te kijken, want het startschot valt meteen. Stukje asfalt en dan het bos in. Lex de Boer komt voorbij en meldt dat hij vandaag niet zo hard gaat vanwege een 60 kilometerloop gisteren. Niet zo hard bij Lex betekent dat ik hem krap aan 50 meter bij kan houden.
Waar is Jeroen? Die stond in het startvak naast me, maar ik kan hem nergens meer zien. Zou hij, vanwege zijn afkeer van groepen, gewacht hebben tot iedereen is vertrokken en dan pas gestart? Achterom kijken heeft geen zin, want we zijn met 130 man op een modderig, smal paadje beland. Hij komt wel bij.
Vrijwel direct na de start draaien we de baan af, het bos in. Allereerst nog op een verhard pad, maar na ongeveer 200 meter draaien we naar links het bos in. Door de grote hoeveelheden bladeren valt de gladheid wel mee, maar het blijft oppassen geblazen.
Bocht naar links, dan eentje naar rechts en een wat breder pad. Helaas is het hier ook wat drassiger. Vorig jaar tweemaal gevallen aan de rechterkant van het pad, dus ik probeer zoveel mogelijk links te blijven.
Ik sluit aan bij twee Rotterdammers die vorig jaar ook in Geldrop waren voor de ‘Tis voor niks’-marathon. We kletsen wat over voetbal totdat ik op mijn rug getikt wordt door Gerard van Amsterdam. Hij doet mee aan de tien, maar is vroeger gestart (met toestemming) omdat zijn maatjes allemaal de 31 doen.
Voordat ik het goed en wel door heb lopen we weg van de twee Rotterdammers. Hela, die hadden een streeftijd van onder de vier uur. Dat betekent dat ik te hard ga.
Maar wat moet ik dan? Inhouden en Gerard laten gaan? We zijn nog geen half uurtje onderweg en ik heb geen zin om me nu al druk te gaan lopen maken over tijden en tempo’s.
Vijf kilometer, de Willem Arntzhoeve op. Een psychiatrische inrichting met hier en daar een gebouw, maar ook asfalt. Even verderop een drinkpost (met muziek.)
Eenmaal daar voorbij gaan we meteen met een scherpe bocht weer het bos in. In
die bocht is een wegversperring in de vorm van een dikke boomstam. Gelukkig is die nu geopend, want vorig jaar leverde dit opstakel nogal wat struikel- en valpartijen op.
Het bos wordt wat dichter, of de paden smaller. Bij de 8e kilometer draaien we een heuveltje op. Gedurende een paar honderd meter gaat het hier op en neer over een zandpad bezaaid met wortels. En alsof dat nog niet genoeg is ook nog scheefgezakt bommen en overhangende takken.
Gelukkig zijn de 2,5 kilometer daarna wat meer begaanbaar. In tegenstelling tot de voorgaande editie is ook het laatste zandpad hard en stevig. God, wat heb ik hier vorig jaar lopen harken. Over harken gesproken,
Blubberpad en dan weer richting de baan. Op het smalle bospad daar naar toe dringt iemand in oranje shirt zich langs me. Even later gevolgd door een briesende man in een vergelijkbaar shirt. Waarom hebben die ineens zo’n haast?
Gerard raakt geďnspireerd en loopt bij me weg. Enfin, ik ga geen moeite doen om hem bij te halen. Over een paar honderd meter stopt hij en ik moet nog een stukje.
De tweede ronde in. Toon en Jeroen halen me in. De eerste zag op tegen vandaag omdat hij zich niet echt had voorbereid, maar nu heeft hij al wat meer vertrouwen. “De eerste twee rondjes houd ik in, en daarna zie ik het wel.” Hij loopt vrij rap van ons weg.
Op het terrein van de psychiatrische inrichting komt een hond uit de struiken gerend. Hij maakt de indruk erg boos op ons te zijn. Grommend doet hij een uitval naar mijn benen, maar ik kan hem ontwijken. Het blijft, gelukkig, bij die ene aanval (en een hoop geblaf.) Net zo snel als hij ten tonele verscheen is hij weer verdwenen. Van een eigenaar is geen spoor te bekennen
Op wilde honden na is het lekker rustig in het bos. Zalig. Twee hardlopers in de natuur. Viermaal hetzelfde rondje saai? Nee hoor, niet hier in Soest. Ik denk dat ik wel tien rondjes kan doen voordat het gaat vervelen.
Om ervoor te zorgen dat we nog meer afwisseling krijgen trakteren de weergoden ons op een plensbui. Jeroen kan er blijkbaar beter tegen dan ik, want hij loopt iets van me weg. Op de baan is het verschil een meter of 10, maar dat wordt groter als ik stil ga staan om te drinken en hij al drinkend doorloopt. Hij krijgt gezelschap van een dame die de 31,5 doet. Even verderop laat ik mijn bril vallen. Ik heb hem in mijn hand omdat hij in de regen beslaat en ik zonder meer zie. Door het stilstaan, zoeken en schoonpoetsen raken Jeroen en zijn loopvriendin uit het zicht.
Gelukkig heb ik even verderop een nieuw doelwit. De twee mannen in oranje die zoveel haast hadden aan het eind van de eerste ronde verliezen gestaag terrein.
Een van hen zit er compleet doorheen.
Voordat ik het goed en wel doorheb zijn we alweer bij die vervelende klimmetjes.
Zou ik door die twee oranje worsten voor mijn neus zo gefocust zijn geweest dat ik niet doorhad hoeveel ik opschoot? Een bordje 7 heb ik in ieder geval niet gezien.
Ik mag dan relaxed lopen en veel afleiding hebben, mijn snelheid is niet erg groot.
Op de baan realiseer ik me dat vandaag niet zo’n hele snelle marathon wordt. Enfin, dat kan ook niet elke keer.
En dan nu het enige minpuntje van vandaag; op het moment dat ik de streep passeer en mijn laatste rondje in ga klinkt het startschot van de 10,5 kilometer. Tientallen nerveuze, dringende hardlopers schieten aan alle kanten om me heen. “Jongens, houd een beetje rekening met mij”, zou ik willen roepen, maar ik besef dat het ook hun bos is en hoop dat ik snel weer in mijn eentje loop.
Dat duurt tot minstens de 33e kilometer. Als de grootste drukte voorbij is word ik op de huid gezeten door verschillende groepjes drukpratende vrouwen.
De rest van de kilometers ben ik bezig heel langzaam in te lopen op een deelneemster op de 10,5. Het lukt me niet. Op de baan is het verschil 150 meter.
Op de streep krijgen we een reflecterend shirt, een medaille en een ontbijtkoek (‘Het geheim achter de 600 marathons van Ben Mol’) als aandenken.