08-11-2009     Berenloop, Terschelling

 

Zaterdagmorgen naar het zwembad voor de breakfastrun. Er zijn 219 (geregistreerde) lopers aan de 5 en de 10 kilometer begonnen, maar de paden zijn zo smal, dat er geen doorkomen aan is. We doen 6:46 over de eerste kilometer.

 

Na vier kilometer breekt er een geweldige hoosbui los. Laten we hopen dat het morgen beter weer wordt, want ik zie geen hand voor ogen.

 

Op de finish klok ik geen supertijd, maar wel eentje die hoopvol stemt. Vanaf kilometer vier heb ik vrij constant gelopen. En sneller dan ik de laatste twee weken voor elkaar kreeg. Vlak achter mij finishen de eerste en tweede dame!

 

Het zwembad in, het rugnummer omruilen voor een bonnetje waarmee we kunnen aansluiten aan het buffet. We zingen (onder leiding van Bart) schaatsliedjes.

 

De vrijwilligers vinden het wel gezellig, maar Jeroen (die achteraan in de rij is beland) vertelt later dat twee mensen bij hem in de buurt ‘het erg overdreven’ vonden. Daarna nog even geprofiteerd van het gratis zwemmen.

 

De volgende morgen naar de sporthal. We vermoeden die naast de haven, maar (even onthouden voor de volgende jaren) bevindt zich midden in het dorp, vlak naast het ‘laatste kilometerpunt’.

 

Een ruime sporthal met maar een beperkt aantal ‘omkleders’. En warm. We besluiten om de tassen hier te laten staan en gaan naar de start. Bart doet de halve en begint een half uur eerder.

 

Ik probeer in de gaten te houden waar Jeroen is, maar die ben ik vrijwel meteen kwijt in de drukte. Tot op de kilometer klets ik wat met Ineke Scheffers. Zij wil weten of ik naar een PR ga vandaag. Daar kijk ik op dat moment van op, maar diesel als ze is heeft ze natuurlijk wel door dat ik (voor mijn doen) aardig snel gestart ben.

 

Net voorbij het vijf kilometerpunt haal ik Toon in. Ik probeer hem te intimideren door hem te vertellen dat hij er slecht uit ziet en dat hij trekt met zijn linkerbeen. Hij is Oost-Indisch doof. De man en vrouw naast me kijken eerst verbaasd op, maar begrijpen dan toch dat het een grapje is.

 

In Midsland doemt ineens een FloraHolland-shirt voor me op. Niet het oranje RoPaRun-shirt, maar eentje met een gestileerde tulp (conform de huisstijl.) Een collega! Even een babbeltje maken. Het blijkt de directeur van Eelde te zijn (Cees Hoekstra.)

 

Gezamenlijk lopen we op tot de 10e kilometer waar ik moet plassen en hij vooruitloopt. Als ik daar sta wordt ik ingehaald door Toon, die op zijn beurt mij probeert te intimideren. “Je bent te hard van start gegaan. Je moet nu inleveren

 

Vaak probeer ik niet met tijd bezig te zijn onderweg. Ik loop op het tempo dat ‘goed voelt’ en kijk soms alleen om de 5 kilometer een keer op mijn horloge. Maar ik heb wel altijd een eindtijd in mijn achterhoofd die, op die dag, acceptabel is (voor mezelf.)

Bij het vijftien kilometerpunt zit ik daar 7 minuten onder. Nog een paar kilometer en dan komt de wind in de rug. Dat belooft wat.

 

Maar wat volgt zijn die ‘klote-kilometers’ waarvan je er elke marathon wel een aantal ervaart. Je weet dat ze komen, het is voor mij zelfs een deel van de charme van een marathon, maar ik heb ze liever ergens tegen het eind, dan op dit punt.

 

Tot overmaat van ramp hoor ik Ineke weer achter me. Shit, wat is er aan de hand, meestal haalt die me pas in rond de dertigste kilometer! Zou Toon dan toch gelijk hebben gehad?

 

Niet zeiken, Jos, met meer dan 2000 wedstrijdkilometers per jaar per jaar weet je lijf echt wel wat het aankan en wat niet. Niet naar anderen luisteren!

 

Maar mijn tijd op de 20 is er eentje om in te lijsten. Nog steeds zeven minuten voor op het ‘acceptabel’-schema. Ik heb dus helemaal niets ingeleverd! Maar om nu te zeggen dat ik lekker loop…….

 

We gaan de duinen uit en het bos in. Ik word ingehaald door een dame die al voor de achtste keer meedoet. Ze weet niet hoeveel marathons ze heeft gedaan, maar doet er al jaren 3 tot 4 per jaar. Ik heb haar nog nooit eerder gezien, maar zij kent Ineke wel. “Die loopt overal waar ik ook loop.”

 

Vorig jaar had ik het hier even moeilijk, maar nu loop ik zo makkelijk omhoog, dat zelfs mijn metgezellen moeite hebben om bij te blijven. Bijna bovenop is een drankpost.

 

Een beetje dom; dit is de 24e kilometer en ik heb mezelf een traktatie beloofd op de 25e. Ik loop dus door (naar beneden.) Daar is een bocht naar rechts langs de ‘buiten-wijken’ van Hoorn en Lies. Maar de drankpost die ik me herinner staat er natuurlijk niet. Die is een namelijk dorp verderop. Ze zouden wel gek zijn om twee posten zo dicht op elkaar te zetten. Maar ja…. Ik zit nu zonder iets om mijn Squeezy mee weg te spoelen.

 

Dan maar bij de dertigste. Tijdens de beklimming van daarnet ben ik door de ‘inzinking’ gegaan. En twee van die perioden tijdens 1 marathon komt maar zelden voor. Als het weer zo (mistig) blijft als nu, dan kom ik er wel.

 

Aan het eind van het dorp rechtsaf om een grote loods heen en dan weer de duinen in. Schelpenpaden. Een van de fietsbegeleiders voor me kan de (overigens niet zo hoge) duinen niet meer opfietsen vanwege de doorweekte ondergrond. Elke keer als de loper omhoog gaat raakt hij achterop om vervolgens in de afdaling weer naast hem te geraken. Kan me niet voorstellen dat hij veel bijdraagt aan de loopbeleving van zijn maatje, maar dat is natuurlijk ook afhankelijk van de lopers mentale gesteld-heid op dat moment.

 

Het uitzicht is in ieder geval prachtig. Een vrouw opperde daarnet dat het vandaag beter de Witte Wieven-loop had kunnen heten. Ze heeft gelijk. Een zicht van net honderd meter en verder alleen maar mist. Saai? Nee hoor, ik loop te genieten. En soms kun je de kilometerbordjes maar beter niet te lang van tevoren zien staan.

 

Het bos weer in, richting Formerum. De omgeving is veranderd, maar de glooiingen blijven. Nog voordat ik het verwacht ben ik bij de dertigste kilometer. De tijd is iets minder, maar nog steeds voor op voorgenoemd schema.

 

De drankpost is exact zoals ik het me herinner van vorig jaar, alleen een dorp verderop, dus. Belangrijker is dat ik eindelijk mijn ‘aansterker’ kan nemen.

 

Ik weet wat er nog komt en het baart me geen zorgen. Met name het stukje naar het strand en de laatste beklimming het strand op zullen erin hakken, maar ik zit (weer) lekker in mijn vel. Kom maar op.

 

In de Duinweg/Herenweg zit de blaaskapel (alweer) uit te blazen. In de drie edities die ik hier meedeed heb ik ze nog niet horen toeteren.

 

En dan deinst uit de mist de laatste duin voor het strand op. Een loper achter me krijgt een hele horde toeschouwers achter hem aan. Dit inspireert blijkbaar, want hij rent mij voorbij, terwijl ik (ten opzichte van de rest) toch niet stil sta.

 

Het eerste stukje strand is even lastig, maar verder ligt het er (zoals bijna altijd hier) lekker hard en vlak bij. Niet dat ik nog steeds dezelfde snelheid kan aanhouden als daarnet, maar ik heb het wel eens slechter meegemaakt.

 

“He, Jos.” Frans Dobbe komt voorbij. Die had ik eigenlijk niet meer verwacht. Hij stond aan de start toch voor me? Nou, hoe dan ook, hij gaat te hard voor me. Ik laat hem gaan.

 

Het strand is nog mooier dan de duinen van daarnet. Het zicht is beperkt en je bijna niets, op wat silhouetten van auto’s (van de organisatie) na.

 

Ook het bord met de 35 komt sneller dan ik had verwacht. Ik heb ingeleverd qua tijd, maar dat mag de pret niet drukken. Nog een paar honderd meter strand.

 

Eenmaal weer in de duinen neem ik (voor het eerst vandaag) op mijn gemak de tijd om te eten en drinken. Maar, niet versagen, daarna meteen weer de pas erin.  En dat gaat goed. Ik haal de een na de ander in en heb genoeg lucht voor af en toe een babbeltje.

 

Bij de 38e kilometer kom ik Cees weer tegen. Hij klaagt over zijn enkel. Die zou hij verstuikt hebben op het strand daarnet. Hij probeert niet eens aan te haken. De puf is eruit.

 

Vanwege de mist heb ik al voor de tiende kilometer mijn bril in mijn jaszak gestopt. Daarom zie ik iets minder dan gebruikelijk. Maar ook de man die mij hier passeert twijfelt ook of dat rode geval (15 meter) verderop langs de weg de veertig aangeeft.

Het is zelfs in het bos (met de inzettende schemering er bovenop) nog erg mistig.

Maar het bord blijkt toch de 40 aan te geven. Mijn tijd is iets achter op de ‘acceptabel voor vandaag’-tijd. Maar dat bomt niets. Ik geniet.

 

De bebouwde kom in. Bij de boog van de laatste kilometer staat Jan de namen om te roepen. Maar hij leest niet goed en ik wordt onder een andere naam aangekondigd. Maar Maarten en Bart hadden al door dat ik er aan kwam. Zij staan volop te fotograferen.

 

Frans’ vrouw meldt dat hij vlak voor me loopt. “Je kunt hem nog inhalen”. Maar als er, een bocht verderop, jazzmuziek gedraaid wordt kan ik het niet laten om even met het publiek te dollen.

 

Door een drukke winkelstraat, high-five’s uitdelend aan de toeschouwers die hier voor elke deelnemer een wave organiseren. Gezellig.

 

De man die me net voorbij schoot, gaat ineens langzamer. “Ik dacht dat de finish hier was.” Ja. Dat heb ik hier ook al een keertje meegemaakt. Maar hij heeft geluk. Niet veel verderop gaan we de rode loper op, die naar de finish leidt. Mijn eindtijd is binnen de ‘acceptabele’ norm.

 

Op de fiets terug naar huis is het erg koud. Ondanks mijn handschoenen krijg ik dooie vingers.

 

De volgende morgen vroeg op en de boel opgeruimd. Op de boot kom ik Jan van Velzen tegen (een RoPa-teamgenoot.) Hij liep de halve. Nog even wat woorden van waardering gesproken met Jan de organisator en daarna lekker liggen suffen tot we in Harlingen van boord gaan.

 

Toon rijdt ons terug naar Aalsmeer. Volgend jaar weer!