Sommige marathons hebben al een goede naam voordat er ook maar (ooit) een kilometer is gelopen. Zo ook deze.
Vanaf het allereerste moment dat ik van deze marathon hoorde wisten mensen mij te vertellen dat het een heel bijzondere was. Eenmalig, maar ook heel speciaal. Dat verwonderde me, dus ik ben eens gaan vragen wat er nu zo bijzonder zou zijn. Misschien had ik iets gemist.
Maar de antwoorden waren altijd hetzelfde; “Ik heb gehoord dat het heel mooi gaat worden”, “Het parcours is heel mooi (want door de dierentuin)”, “Het is eenmalige, dus ze halen alle uit de kast.” Concreet wist niemand iets te noemen.
Ik vermoed dat de gemeente Amersfoort een hele slimme marketingafdeling heeft!
We gaan het zien. Met nog ruim twee uur te gaan rijd ik Amersfoort binnen. Gewapend met een routebeschrijving, maar die blijkt nutteloos. Alle wegen lijken afgezet. Op een gegeven moment stap ik uit de auto om de weg te vragen. Maar de vrijwilliger die ik aanspreek loopt echter steeds bij me weg.
Uiteindelijk kom ik toch dicht in de buurt van waar ik zijn moet. Daar de auto geparkeerd en naar de tent gewandeld waar de startnummers worden uitgedeeld. Daarvoor moeten we eerst over het terrein van ‘de Parade’, het rondtrekkende theatergebeuren dat zich gedurende de festiviteiten rond het 750-jarige bestaan in Amersfoort heeft gevestigd.
Krijg nu vlekken….Ben Mol is er weer. Ik dacht dat hij gestopt was met lopen. Navraag leert dat hij dat ook dacht, maar na een (relatieve) rustperiode van 4 maanden heeft hij de loopschoenen toch weer uit de wilgen gehaald. Dat is mooi.
De kleedruimte is in een parkeergarage. Misschien heeft het met de beschikbare ruimte (of veiligheidsvoorschriften) te maken, maar ik vind het een beetje vreemd dat de marathonlopers naar etage -2 moeten afdalen, terwijl de kortere afstanden dichter bij de uitgang zitten. Alsof wij niet al ver genoeg moeten vandaag.
Er is geen bewaking bij de garderobe. Pas achteraf zie ik dat er een dame stickers loopt uit te delen waar ze je rugnummer op schrijft. Of dat helpt tegen diefstal, vraag ik me af.
Buiten op zoek naar de toiletten. Die zijn gaaf zeg! In tegenstelling tot de gebruikelijke Dixie’s heeft men houten huisjes neergezet, die lekker stevig staan, niet al te ruim zijn, maar wel brandschoon. En als extra bonus allemaal voorzien van voldoende wc-papier en –ongelooflijk- nog door te spoelen ook.
Een dikke plus voor de organisatie. Dit is wat de loper nodig heeft vlak voor de wedstrijd; een comfortabele, schone plek waar je op je gemak even de laatste druk van de ketel kunt halen.
Het is een aardig stuk wandelen naar de start en het regent nog steeds. Eenmaal bij de startvakken blijken de meeste lopers er niet in te mogen. De vrijwilligers die verantwoordelijk zijn voor de scheiding der troepen weten ook niet goed waarom. Het verschil tussen doorlopen of hier wachten zit hem in een groen stickertje op het startnummer. Eentje oppert dat het alleen KNAU-leden zijn die door mogen lopen.
Dat had hij beter niet kunnen doen, want het grootste deel van de lopers om me heen is dat, maar mag toch niet naar binnen. Henk Sipers tovert een Knau-pasje uit zijn altijd aanwezige rugzak en belaagt de arme man.
Jack Hendrickx, die wel naar binnen mocht, gooit olie op het vuur door te beweren dat Henk “al jaren geen contributie meer heeft betaald. Een notoire wanbetaler.” De grappenmaker probeert even later de groene sticker los te peuteren om die per opbod te verkopen.
Alle gedoe over startvakken wordt al snel onbelangrijk als het startschot klinkt, de hekken verdwijnen en iedereen weer door elkaar loopt.
Langs de oude stadspoorten en –wallen. Klinkers, een drumband en een drietal mannen met banjo’s. Gezellig. Zoals het overal vandaag, ondanks de regen, een vrolijke, enthousiaste boel zal blijken.
Net voorbij de tweede kilometer gaan we door de brandweerkazerne. Dan met een lus naar de overkant van het water, onder de spoorlijn door en het oude centrum in. Dat is vooral te merken aan de klinkers en de korte steile klimmetjes.
Als de weg breder wordt en het gedrang wat minder lopen er drie dames vlak achter me. Ze produceren een continue stroom woorden. Hun streeftijd is 3 uur 45. Dat gaat ze zeker lukken met het huidige tempo en zo te horen hebben ze nog lucht genoeg voor de resterende 35 kilometer.
Een flinke klim tegen een brug op en dan naar rechts, richting de dierentuin. Nou, als ik heel eerlijk ben, dat valt vies tegen. Iedereen die ik van tevoren sprak was enthousiast over dit stukje parcours, maar ik vind het een afknapper.
Ten eerste omdat we amper door de dierentuin gaan, maar grotendeels over zandpaden die normaal gesproken alleen door het personeel worden gebruikt, maar ook omdat er slechts sporadisch een dier te zien is (en dan nog op een flinke afstand.) Vind ik de Apenheul (tweemaal) tijdens de marathon van Apeldoorn leuker. Ook al heb ik daar in zes deelnames nog nooit een aap gezien.
Terug naar de (wat meer) bebouwde kom en door een spoorwegmuseum. Grappig, maar de houten planken die over de spoorrails zijn gelegd zijn vreselijk glad.
En dan een van de meest spectaculaire passages van vandaag. We lopen het station binnen (‘pas op, gladde vloer’) en moeten dan meteen de trap op, over de sporen heen. Die trap valt reuze mee, ik schat tweemaal 15 stuks treden. De rest van de vloer is inderdaad glad.
Maar aan de andere kant, het staat er bomvol met toeschouwers (overdekt, dus droog) en we hebben allemaal onze naam op het startnummer. “Kom op, meneer Cornelissen[1], u kunt het best”, klinkt toch specialer dan het vrij algemene “zet ‘m op!”
Eenmaal weer buiten verbaas ik me erover dat we wel een trap op gelopen zijn, maar geen trap af. Veel tijd om hier over na te denken krijg ik niet, want een van de stadsbussen heeft haast en wil dwars door het peloton heen. Het loopt goed af.
Vlak voor de 15e kilometer komt Hans Buis voorbij. Ik vroeg me al af waar hij bleef. We lopen de kazerne binnen. Klinkers, een vreselijk standbeeld en, bij wijze van museum, een handvol ‘oude’ afgedankte tanks langs het parcours.
Aan de andere zijde van de kazerne gaan we een bosgebied in. Leuk voor de afwisseling, maar ook voorzien van een heel eind vals plat (omhoog, anders hoor je mij niet.)
Een vrouw klaagt dat er nergens kilometers zijn aangegeven, net op het moment dat we een witgekalkte 17 passeren. Maar ze heeft wel een punt. Hoewel alle kilometerpunten duidelijk zijn aangegeven komen we vandaag nergens een klok tegen waarop je de tussentijd kunt zien en om de boel nog ingewikkelder te maken zijn er ook ‘spookafstanden’ op de weg gezet.
Vanaf de 20e kilometer zie je eerst een aanduiding met een verkeerde afstand en vervolgens de juiste (eerst 22 en dan de 21.) Waar komen die ‘alternatieve’ aanduidingen vandaan? Ik had begrepen dat dit de eerste marathon was in Amersfoort.
Iedere keer als ik denk dat ik boven op een heuvel ben blijkt dat er nog meer geklommen kan worden. Voor het eerst vandaag (ik ben vrij voorin gestart) haal ik meer mensen in dan er mij passeren.
Even verderop wordt ik aangesproken met; “Bent u misschien die man met dat schoothondje”. Het is Peter Akerboom, die refereert aan een geintje dat hij me geflikt heeft op de site van de Roelofarendveense One & Only marathon(s).
We draaien naar rechts onder een boog ballonnen door. Eerst denk ik dat dit het ‘halverwegepunt’ is, maar dat valt tegen. Gelukkig wordt de teleurstelling hierover al snel gecompenseerd door een dikke haag lawaaimakende toeschouwers.
We blijken over het terrein te gaan van een psychiatrische inrichting. Het doet me een beetje denken aan de (voormalige) Geestgrondenloop in Hillegom. Vergelijkbare gebouwen in dezelfde soort omgeving.
Net voorbij de 25e kilometer voegt het peloton van de halve marathon zich bij ons. Daar heb ik na afloop mensen over horen klagen, maar persoonlijk vind ik dit geen nadeel. De groep frisse lopers (zij hebben er ‘pas’ vier op zitten) motiveert mij en het breekt de sleur wat.
Wat wel een beetje jammer; van die grappenmakers die zich niet realiseren dat jij al 25 kilometer of je tellertje hebt en je al duwend en afsnijdend moeten passeren.
Dertig kilometer. Tijd voor een tweede hapje gel. Shit, een van mijn zakjes is kapot. Daardoor ben ik meer tijd kwijt dan ik gepland had, maar gelukkig heb ik nog genoeg puf om het gemis van 1 Squeezy op te vangen.
Over een industrieterrein en dan met een brug over de A28. In de klim spreek ik een man aan met een RoPaRun-shirt. Die had ik vanmorgen in de parkeergarage al gesproken, maar dat weet hij al niet meer. “Oh, heb jij ook de RoPa gedaan?” Er ontspint zich een gesprek dat bijna identiek is aan dat van vanmorgen.
Net voor de 32 (het aftellen is begonnen) loopt er een vrouw naast me te bellen met het thuisfront. “We gaan bijna de tunnel in bij de A1, ik zie jullie wel bij de IKEA.”
Gelukkig heb ik geleerd te relativeren wat ik om me heen oppik tijdens een marathon, want dat ‘bijna’ valt een beetje tegen. Net voorbij de IKEA loop ik een tweede tunnel in waar 35 op de weg gekalkt staat.
Een Tsjechische man loopt zwalkend over de weg. Hij ziet eruit alsof hij elk moment in elkaar kan zakken, Als een toeschouwer aan een ander vraagt of hij wat eten of drinken wil reageren een stuk of vijf lopers met “Geef maar aan die man, die heeft het heel erg nodig.” Of het eten bij de beoogde loper terechtgekomen is betwijfel ik. Hij registreert niets meer van wat er om hem heen gebeurd.
Achtendertig kilometer. Kijk nou, daar loopt Hans Buis weer. Ik begroet hem met de woorden; “zo mijn doel voor vandaag is bereikt, ik ben je gepasseerd.” Hij klaagt over ‘slechte dag’, maar blijft wel naast me lopen. Sterker nog, bij de volgende drankpost pak ik een beker aan en hij loopt van me weg als ik die rustig probeer op te drinken.
Heel langzaam herken ik het parcours weer van de doorkomst van vanmorgen. Nogmaals die klinkers en die vervelende bruggetjes, maar dan gelukkig de lange brede weg naar de finish.
Na afloop gaan we gedrieën nog even een biertje drinken op de Parade. Het is al tegen achten als ik thuis aankom. Het regent nog steeds.
Mooie loop, genoten van het publiek, goed georganiseerd. Een paar kanttekeningen, maar voor een eerste keer vind ik het toch een perfecte job. Petje af. Zou dit echt eenmalig zijn? Want ik kom met plezier nog een keertje terug.
[1] Om de een of andere reden loop ik met mijn achternaam, terwijl het gros hun voornaam op het nummer heeft.